Nieuwe uitspraken
KC 2025/005
Geplaatst: 07/02/2025
Klager heeft tijdens een zitting bevestigd dat hij eerder personeelsleden "restanten van nazi’s" had genoemd en dat hij daar nog steeds achter stond. Hoewel deze uitlatingen beledigend kunnen worden opgevat, vond de beklagrechter dat ze, binnen de context van een besloten zitting, geen directe bedreiging vormden voor de orde en veiligheid in de inrichting. Daarom wordt het beklag gegrond verklaard. De disciplinaire straf van drie dagen opsluiting in eigen cel wordt onredelijk en onbillijk geacht, de klacht wordt gegrond verklaard en klager krijgt een tegemoetkoming van €30,00 toegekend. De beklagrechter benadrukt dat beledigende uitlatingen ter zitting niet per definitie ongestraft kunnen blijven, maar dat de omstandigheden en manier waarop ze worden geuit van belang zijn. De directie had in plaats van een disciplinaire straf aangifte van belediging kunnen doen en klager hierover kunnen informeren.
KC 2025/006
Geplaatst: 30/01/2025
Klager klaagt erover dat hij op een afdeling voor arrestanten is geplaatst, terwijl hij op een afdeling hvb dient te worden geplaatst. De selectiefunctionaris heeft klager geselecteerd voor plaatsing op de afdeling hvb van JC Zeist en klager daartoe aangeboden aan JC Zeist. Volgens het verweer van de directie was er op dat moment geen cel beschikbaar op de afdeling hvb van JC Zeist en was de selectiefunctionaris hiervan op de hoogte. Een dergelijke nieuw te plaatsen gedetineerde mag niet worden geweigerd. De directie heeft zich daarom genoodzaakt gezien klager op een andere afdeling te plaatsen, in dit geval op de afdeling arrestanten. Gelet op het verweer van de directie is de beklagrechter van oordeel dat de plaatsing van klager op de afdeling arrestanten geen beslissing van de directeur betreft. Deze situatie is een direct gevolg van de beslissing van de selectiefunctionaris. De directie heeft zich vervolgens ingespannen om de ongewenste situatie zo kort mogelijk in stand te houden. Daarom verklaart de beklagrechter zich onbevoegd tot kennisneming van de klacht voor zover deze is gericht tegen de plaatsing op de afdeling arrestanten. Voor zover de klacht is gericht tegen het onnodig in stand houden van de situatie acht de beklagrechter de klacht ongegrond.
KC 2024/019
Geplaatst: 19/11/2024
Bij klager leidde een urinecontrole op 26 juli 2023 tot een niet-interpreteerbare uitslag wegens verdunde urine. Hij kreeg een disciplinaire straf van vijf dagen op eigen cel opgelegd en kwam zes weken niet in aanmerking voor promotie naar het plusprogramma. Klager stelde dat de uitslag beïnvloed was door medicatie die een droge mond veroorzaakte, waardoor hij veel water dronk. Dit werd bevestigd door de inrichtingspsycholoog. De beklagrechter oordeelde dat klager zich niet bewust was van de invloed van hoeveelheid waterinname op de urinecontrole. Het is in dit bijzondere geval onvoldoende aannemelijk geworden dat klager heeft gefraudeerd met het urinemonster. Daarnaast had klager geen eerdere positieve urinecontroles en had klager geen belang bij fraude. De beslissing van de directeur moet daarom als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. In de beslissing om klager gedurende zes weken niet in aanmerking te laten komen voor promotie is slechts het frauderen opgenomen als ontoelaatbaar gedrag. Gelet op voorgaande dient ook deze beslissing van de directeur als onredelijk en onbillijk te worden aangemerkt. De klacht wordt gegrond verklaard en klager ontvangt een tegemoetkoming van €50,-.
KC 2025/003
Geplaatst: 15/11/2024
Klager heeft een klacht ingediend tegen de aan hem opgelegde disciplinaire straf vanwege een positieve urinecontrole en tegen de omstandigheid dat hij niet mocht douchen gedurende zijn verblijf in de isolatiecel. De directie merkt op dat klager een positieve urinecontrole had op het gebruik van cannabis en dat klager in de isolatiecel dagelijks is aangeboden om zich op te frissen bij de wastafel en om de dag heeft kunnen douchen. Op 24 januari 2024 en op 9 februari 2024 heeft klager intrekkingsformulieren ondertekend met betrekking tot deze twee klachten. Op 13 februari 2024 ontving de commissie een mail van de advocaat, waarin hij aangaf dat klager zijn klachten niet wenste in te trekken. De beklagrechter beoordeelt allereerst de ontvankelijkheid van klager. Daarbij werd verwezen naar een uitspraak van de RSJ waarin is bepaald dat een rechtsgeldig ingetrokken klacht niet opnieuw kan worden behandeld, tenzij klager niet bewust afstand heeft gedaan en de intrekking niet schriftelijk vastligt. Klager had echter intrekkingsformulieren ondertekend en daarmee ingestemd met de intrekking van de klachten en de compensatie (rookwaar). De beklagrechter ziet geen reden om te twijfelen aan de intrekkingen en zal de klachten niet inhoudelijk behandelen. De beklagrechter verklaart klager niet-ontvankelijk in beide klachten. Klager heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de RSJ.