DE COMMISSIE VAN TOEZICHT BIJ DE PENITENTIAIRE INRICHTING TER APEL.
Secretariaat: Postbus 781, 9700 AT Groningen.
Klaagschriftnummers […]
Beslissing van de voorzitter van de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij bovenvermelde inrichting op de ingekomen klaagschriften van:
[…] (verder te noemen klager),
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel,
Advocaat: mr. J.J. Serrarens.
PROCESGANG
Bij de secretaris van de Commissie van Toezicht zijn de onderstaande klaagschriften binnengekomen:
- op 24 december 2024 het klaagschrift met kenmerk 1;
- op 24 december 2024 het klaagschrift met kenmerk 2;
- op 24 december 2024 het klaagschrift met kenmerk 3;
- op 24 december 2024 het klaagschrift met kenmerk 4;
- op 24 december 2024 het klaagschrift met kenmerk 5;
- op 8 januari 2025 het klaagschrift met kenmerk 6;
- op 8 januari 2025 het klaagschrift met kenmerk 7;
- op 8 januari 2025 het klaagschrift met kenmerk 8;
- op 13 januari 2025 het klaagschrift met kenmerk 9;
- op 13 januari 2025 het klaagschrift met kenmerk 10;
- op 13 januari 2025 het klaagschrift met kenmerk 11.
Op 21 januari 2025 is de schriftelijke reactie van de directeur ontvangen.
De mondelinge behandeling van de klaagschriften heeft plaatsgevonden op 11 februari 2025. Klager is, bijgestaan door zijn advocaat en met gebruikmaking van een tolk in de Chinese taal, gehoord. Namens de inrichting is de plaatsvervangend vestigingsdirecteur gehoord.
INHOUD VAN DE KLACHTEN
Klacht 3 is ingediend door de advocaat, later aangevuld door klager met een klaagschrift geschreven in de Chinese taal, net als de overige opgemelde klaagschriften. De klachten zijn allen ter vertaling aangeboden aan de directeur, maar deze vertalingen zijn niet ontvangen.
STANDPUNTEN
De directeur heeft in de schriftelijke reactie het navolgende naar voren gebracht.
In de PI Ter zijn verschillende manieren om misstanden danwel problemen bij de inrichting of de Commissie van Toezicht kenbaar te maken. Zo kunnen gedetineerden een probleem kenbaar maken bij verschillende (afdelings)functionarissen (hieronder de mentor, afdelingshoofd, casemanager, etc.) en daarnaast is de Gedeco (actief) vertegenwoordigd in de inrichting, zijn klachtenfunctionarissen aangesteld (op iedere afdeling twee penitentiaire inrichtingswerkers die zich bezighouden met het bemiddelen in problemen), hebben gedetineerden de mogelijkheid om middels een sprekersbriefje te spreken met een maandcommissaris en houden de maandcommissarissen vier keer per jaar een open spreekuur. Eens per maand heeft de directeur overleg met de commissie waarbij gestelde problemen worden besproken. Tevens staat de mogelijkheid tot het indienen van een beklag bij de beklagcommissie open, maar geprefereerd wordt dit als ultimum remedium in te zetten. In het jaar 2024 heeft klager een ongekend hoog aantal klachten en beroepschriften ingediend waarbij de inhoud van de klaagschriften voornamelijk gaan over door klager gestelde losstaande problemen of waarbij klager in verschillende klaagschriften veelvoudig klaagde over dezelfde situaties en onderwerpen, zonder dat hieraan nieuwe besluiten ten grondslag lagen.
Klager dient veel ongefundeerde klaagschriften in en klager had gelet op het feit dat veel klachten zowel door uw beklagcommissie als de beroepscommissie niet-ontvankelijk worden verklaard, redelijkerwijs kunnen weten dat een klacht op grond van artikel 61 lid 3 Pbw zo nauwkeurig mogelijk moet worden beschreven. Daar komt bij dat het beklagrecht niet is bedoeld voor allerlei losstaande problemen; dergelijke zaken dienen éérst in het normale contact tussen klager en het personeel te kunnen
Dit verhoudt zich tot grofweg een derde van het totaal ingediende klaagschriften in de PI Ter Apel in 2024. In de 171 beklagzaken waarin uitspraak is gedaan zijn 132 klachten niet-ontvankelijk en 34 klachten ongegrond verklaard. 84 klachten zijn door tussenkomst van klagers advocaat ingetrokken; deze 84 klachten zagen allen op dezelfde situatie. Alle beroepen van klager in 2024 waarin uitspraak is gedaan zijn niet-ontvankelijk verklaard en deze zijn schriftelijk afgedaan en de directeur is daarbij niet om een schriftelijke reactie gevraagd, omdat klagers beroepschriften geen gronden bevatten. Kenmerkend hierbij is dat klager pertinent het door hem gestelde probleem niet aan de betrokken functionarissen kenbaar wil maken en evenmin samen naar een oplossing wil zoeken, maar direct een klaagschrift indient. Ook nadat het klaagschrift is ingediend weigert klager het gesprek aan te gaan waardoor enige vorm van bemiddeling of uitleg niet kan worden gestart. Klager is meermaals bevraagd wat de reden is dat hij niet het gesprek aan wenst te gaan. Klager geeft hierover echter geen openheid van zaken; klager geeft aan dat hij doet wat hij wil en zo zijn eigen redenen heeft, maar welke redenen dit dan zijn wil klager niet benoemen. Klager lijkt hiermee bewust het klachtenproces te willen verstoren. Voornoemde heeft klager ook als dusdanig verklaard tegenover de functionarissen van de inrichting. Hierdoor raakt niet alleen de klachtenprocedure onwerkbaar voor alle betrokkenen, ook raakt hiermee de handhaving van de orde en de veiligheid in het geding daar andere gedetineerden langer moeten wachten op de behandeling van hun klachten en hun vertrouwen in de beklagprocedure daarmee daalt. Hoewel klager de Engelse taal uitstekend machtig is en voorheen zijn beklag altijd in het Engels indiende is klagers werkwijze hieromtrent sedert november 2024 abrupt veranderd. Vanaf dat moment dient klager zijn klaagschriften niet meer in het Engels, maar in het Chinees in. Doordat deze klaagschriften vertaald dienen te worden neemt het beklagproces nog meer tijd en middelen in beslag, omdat de klaagschriften ter vertaling bij een vertaalbureau moeten worden ingediend. Dat hoeft bij klaagschriften die in het Engels worden ingediend niet. Klager is bevraagd wat zijn redenen zijn (geweest) om zijn klaagschriften in het Chinees in te dienen en hierop antwoordde klager dat hij voorheen altijd hulp kreeg van een medegedetineerde bij het indienen van een klacht in de Engelse taal. Deze medegedetineerde heeft de inrichting echter al op 6 september jl. verlaten en uit verschillende gesprekken, die met klager overigens altijd in het Engels worden gevoerd, blijkt dat klager de Engelse taal zowel mondeling als in geschrift zeer goed machtig is. Klager heeft ook een tijdje Engelse les gegeven aan medegedetineerden. Gezien bovenstaande heeft de directeur geconcludeerd dat klager met zijn werkwijze misbruik maakt van zijn mogelijkheden om zijn beklag te doen en om die reden heeft de directeur op 18 december 2024 twee besluiten genomen. Hiervan zend ik u een afschrift toe. Met voornoemde besluiten heeft de directeur beoogd klagers beklagmogelijkheden op een doelmatige manier in te zetten zonder hierbij afbreuk te doen aan de mogelijkheden voor het indienen van een klaagschrift en klagers beklagrecht. Het eerste besluit houdt in dat dat klager eerst in gesprek met het personeel dient te gaan alvorens hij een beklagformulier uitgereikt krijgt. Hiermee wordt beoogd dat klager zijn gestelde probleem op een zo’n laagdrempelig mogelijke manier oplost. Mocht klager met het personeel geen oplossing lijken te vinden, dan krijgt klager alsnog een beklagformulier uitgereikt. Het tweede besluit betreft dat klager zijn klaagschriften in het Engels dient in te dienen. Indien klager na het besluit Chineestalige klaagschriften indient, zullen deze niet aan het vertaalbureau worden aangeboden. Onder verwijzing naar het bijgevoegde besluit d.d. 18 december 2024 ben ik van mening dat klager aantoonbaar misbruik maakt van het beklagrecht. Graag zou ik u willen verzoeken dit onderdeel mee te nemen in uw overwegingen.
Tijdens de mondelinge behandeling is gesteld dat het onredelijk is om te verwachten dat klager zich eerst met het personeel verstaat alvorens een beklagformulier te krijgen. Daargelaten dat de RSJ eerder heeft aangegeven dat het voor de hand ligt dat eerst met het personeel in gesprek wordt gegaan , is dat geen reden om klager geen beklagformulier te verstrekken. Bovendien kan niet over alle klachten met het personeel gesproken worden, ook om privacy redenen.
De plaatsvervangend vestigingsdirecteur heeft verwezen naar het in het verweerschrift ingenomen standpunt.
BEOORDELING
De vraag die ter beantwoording voorligt is of klager misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om beklag te doen bij de beklagcommissie over een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing (artikel 60 PBW). Die vraag beantwoordt de voorzitter van de beklagcommissie bevestigend. In het navolgende legt hij uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
In de hierboven in extenso opgenomen weergave van het verweerschrift van de directeur komt de omvang van het aantal malen dat klager in 2024 een beklag heeft ingediend naar voren. Die grote aantallen zijn, zo stelt de voorzitter van de beklagcommissie vast, niet in geschil. Ook aan klagers beweegreden is aandacht besteed, terwijl die weergave niet is bestreden. Ter zitting heeft klager desgevraagd daaraan toegevoegd dat zijn opstelling verband houdt met een in het verleden door de directeur genomen beslissing die volgens klager een schending van zijn rechten inhield. Een ter zitting door de voorzitter van de beklagcommissie beproefde poging tot een minnelijke oplossing te komen is door klager afgewezen. Daarbij is klager vasthoudend gebleven in zijn overtuiging dat hij niet verplicht kan worden om, alvorens beklag in te dienen, in overleg te treden met medewerkers in de inrichting. Verwijzend naar de wet meent hij zijn klaagschriften in de Chinese taal te mogen blijven indienen, waarna vervolgens de directeur voor een vertaling in de Nederlandse taal dient te zorgen. Ter zitting heeft hij desgevraagd meegedeeld de Engelse taal slechts op basisschoolniveau te beheersen. Verder is een reactie op het standpunt van de directeur omtrent klagers taalbeheersing, zoals in het verweerschrift naar voren gebracht, uitgebleven.
In de algemeen bestuursrechtelijke jurisprudentie is meermalen tot uitdrukking gebracht dat een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen geen misbruik van recht oplevert. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich mee voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Daarbij is aansluiting gezocht bij artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge deze artikelen kan de bevoegdheid om beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt.
De voorzitter van de beklagcommissie is van oordeel dat bovenstaand uitgangspunt naar analogie kan worden toegepast in de onderhavige gevallen. Voorop staat daarbij dat er zwaarwichtige gronden zijn vereist voordat een dergelijke conclusie wordt getrokken, omdat in feite de toegang tot de beklagrechter wordt ontzegd.
Onbestreden is dat klager in 2024 veelvuldig in beklag is gegaan, welke klachten veelal niet-ontvankelijk zijn verklaard, vanwege het onderbreken van een onderbouwing, het ontbreken van een directeursbeslissing dan wel vanwege een herhaling van zetten. Opvallend daarbij is klagers permanente weigering om met functionarissen van de inrichting in gesprek te gaan. Redengevend daarvoor is, zo is uiteindelijk ter zitting gebleken, het vermeende onrecht dat klager in voorgaande jaren is overkomen. Klager heeft dit verder niet onderbouwd. Klagers opstelling, en daarbij ook zijn afwijzing van het zoeken naar een minnelijke oplossing, maakt dat de voorzitter van de beklagcommissie tot het oordeel komt dat de conclusie van de directeur, dat klager het klachtenproces wil verstoren, aannemelijk is. De in het verweerschrift geschetste omstandigheden alsook klagers stellingname ter zitting vormen daarvoor een voldoende onderbouwing. De voorzitter van de beklagcommissie is zich ervan bewust dat er in de wet niet dwingend is vastgelegd dat een gesprek met functionarissen van de inrichting moet hebben plaatsgevonden alvorens beklag kan worden ingediend, maar hij is er van overtuigd dat deze verplichte werkwijze in het onderhavige geval onder de hierboven geschetste omstandigheden wel in de geest van de wet is. Klagers pertinente weigering om – anders dan voorheen- zijn klaagschriften in de Engelse taal in te dienen, hoewel op grond van de niet weersproken standpunten in het verweerschrift aannemelijk is dat hij die taal in voldoende mate beheerst, bevestigt de eerdergenoemde conclusie van de directeur. Onder deze omstandigheden is de voorzitter van de beklagcommissie daarbij van oordeel dat er – anders dan klager meent - van schending van artikel 61, vierde lid van de Pbw, nu een vertaling van de in de Chinese taal gestelde klaagschriften ontbreekt, geen sprake is.
Uit het voorgaande volgt dat er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van het beklagrecht. Klager heeft immers zijn bevoegdheid misbruikt, ook in de fase voorafgaand aan het indienen van het beklag. Dit betekent ook dat het voor de gemachtigde van klager ten tijde van het instellen van het beklag 3 evident moest zijn dat van de ingestelde procedure geen positief resultaat viel te verwachten.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING
De voorzitter van de beklagcommissie
- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klachten.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sijens, voorzitter van de beklagcommissie, in tegenwoordigheid van R. Hooites, secretaris, op